Franciscus 27:1-7
De Gelijkenis van de Zevende Kraam
1 In die dagen was er een middelgrote stad, en op de derde dag kwamen de mensen tezamen op het marktplein. En zie, daar stonden zes kooplieden die hun kramen hadden opgericht langs de weg.
2. De kooplieden verhieven hun stemmen tot een groot geraas. De man achter de duurste kraam riep: "Ziet hier! Koopt er twee en betaalt voor drie, want mijn gunst voor de mensen uit mijn stad is groot!" En een ander schreeuwde: "Vandaag is mijn waar kostbaarder dan goud, want wat ik u beloof is wat werkt!" Zo wedijverden zij met elkaar, en het volk stroomde naar hen toe, verlokt door het lawaai, de belofte van eerlijkheid en de schijn van overvloed.

3. Doch te midden van hen stond een zevende kraam, en die daar stond, hield de lippen verzegeld en de handen rustig. Daar waren geen kleurige banieren, noch klonken er luidkeels valse beloften die het hart verleiden; er was slechts de stille getuigenis van een andere weg. Geen ijdele of onnodige zaken uit om de ogen te strelen, maar enkel datgene wat de mens werkelijk nodig heeft voor een waarachtig leven.
4. Een voorbijganger hield halt, verward door de stilte, en vroeg: ik begrijp het niet, waarom wil ik hebben wat u mij biedt?" Maar die daar stond zag hem aan met ogen vol vrede en zeide: "Mijn zoon, vertel mij eerst: wat heb je werkelijk nodig?"
5. Toen de man dit hoorde, werd hij onrustig in zijn hart. Want hij was gekomen om te kopen wat hem werd aangeprezen, niet om te overdenken wat hem echt ontbrak. Hij wendde zich af en vervolgde zijn weg naar het gedruis. En zo deden velen; zij liepen de stilte voorbij omdat zij de vraag niet durfden te beantwoorden en die boodschap hen vulde met ongemak. Zij keken schuchter achterom, als vreemdelingen in hun eigen stad, bang om te zoeken naar de waarde die niet in zilver werd uitgedrukt.
6. Voorwaar, ik zeg u: De wereld loopt te hoop bij wie het hardst roept en het meest belooft, ook al is de waarheid daar ver te zoeken. Edoch de mens kan zijn honger niet stillen met de wind van beloften, noch kan hij schuilen in een kasteel dat van lucht is gebouwd. Wie zijn hoop stelt op de schijn van rijkdom die op het plein wordt uitgeschreeuwd, zal bevinden dat zijn schuur leeg blijft wanneer de nacht valt.
7. Doch weet wel dat het rumoer van de markt niet de plaats is waar men vindt wat men werkelijk behoeft. Want de markt verzadigt slechts de begeerte van het oog en de handel van de wereld, maar de ware spijzen voor de ziel worden niet met zilver gekocht, noch in het gedrang van de kooplieden gevonden. Wie zoekt naar wat werkelijk telt, moet willen horen wat soms ongemakkelijk is, en durven te zien voorbij het geschreeuw van hen die enkel verkopen wat vergaat.
"Domine, miserere mei, quoniam peccavi tibi"