4 Mei, Opa Thijs
Op 4 mei herdenken we de doden, dat weten we allemaal wel. Wat niet iedereen weet, is dat we alle slachtoffers van onze oorlogen herdenken. Niet alleen die van de Tweede Wereldoorlog in Nederland, en niet alleen de Nederlanders, en niet alleen de soldaten. We herdenken ook de koloniale oorlog in Nederlands-Indië en alle conflicten naderhand waar wij bij betrokken waren. Je kunt er van alles van vinden, maar heel veel mensen hebben een beeld bij de herdenking: een persoon die voor hen symbool staat voor dat wat we verloren. Voor mij en mijn familie is dat onze opa Thijs. Sergeant-majoor bij het KNIL, gevangengenomen door de Japanners na de capitulatie, en door de Japanners vermoord bij de aanleg van de Birma-spoorweg in 1943. Hij ligt daar nog steeds, en elk jaar zijn wij met onze gedachten bij hem. Dit zou zijn verhaal kunnen zijn!
Mijn naam was Thijs Spoelstra, sergeant-majoor bij het KNIL, onderdeel artillerie/militaire administratie, gelegerd in Bandoeng. Ik herinner me wat er gebeurde na de capitulatie van Nederlands Indië nog als de dag van gisteren. Ik woonde met mijn vrouw en kinderen in Bandoeng, en al was de sfeer gespannen, de avond was mooi. De lucht rook naar jasmijn en alles was rustig. Ik wist dat dat niet lang zo zou blijven, maar ik genoot van het moment. We hadden ons overgegeven, en het was wachten op wat er ging gebeuren. De Japanners waren kortaf en arrogant, en ondanks de rust hing er een storm in de lucht. Ik dacht aan mijn dochters en zoon. Ze waren nog klein en hadden geen idee van wat er boven hun hoofd hing. Morgen zou alles anders zijn.

Ik was altijd trots op mijn uniform geweest, trots op de mannen met wie ik diende, Nederlands en Indisch, goede mannen allemaal. Maar na de capitulatie voelde ons uniform als een schietschijf, een manier voor de Japanners om ons makkelijk op te pakken, en dat deden ze dan ook. Ik werd gearresteerd door een groep agressieve Japanse militairen. Ze namen me mee, en mijn vrouw en kinderen keken me wanhopig na. Ik zou ze nooit meer zien.
Ik werd met andere militairen op een veld verzameld, samengedreven als vee, in de open lucht onder een brandende zon. Ik herkende een aantal van mijn mannen, maar er waren er ook een hoop van wie ik de gezichten niet kende. We werden opgesloten in kampen vlak bij de stad, en daar moesten we wachten. Op de vraag wat er met ons ging gebeuren kregen we geen antwoord, maar er sijpelden verhalen door over een transport naar Birma. We wisten niet wat we moesten geloven, maar hadden het te druk met overleven om er veel over na te denken. Ergens in het najaar werden we op transport gezet, en na een korte rit werden we in het ruim van een schip gedreven. Er was helemaal niets; de schepen waren niet bestemd om mensen te vervoeren, en we moesten onze behoefte doen in de hoeken van het ruim. Eten en drinken kregen we mondjesmaat. Het water was brak, het beetje eten dat we kregen was smerig, de lucht was heet. Tijdens de reis werden verschillende van mijn medegevangenen ziek, dysenterie en ondervoeding. Een aantal van hen stierven, en de lijken bleven dagenlang liggen. Wij waren van de hemel in de hel beland, en er leek geen einde aan te komen. De reis op het 'hellship' duurde een paar weken, en toen we eindelijk aan wal kwamen, dachten we dat het niet erger kon worden. We hadden het mis.
We werden landinwaarts gebracht met treinen, en dat was nog erger dan op het schip. We werden in veewagens gepropt en reisden dagenlang in verzengende hitte, staand. Er was geen ruimte om te zitten of te liggen, en we zochten steun bij elkaar. Sommigen van ons stierven, maar de lijken bleven staan! Er was geen ruimte om ze ergens neer te leggen. De stank was ondragelijk, en we dachten allemaal dat dit het einde was. Ik was een van de mensen die het overleefde, en na vijf dagen kwam ik aan bij het kamp aan de spoorlijn waar ik moest werken. We zaten in een kamp bij de plaats Tamarkan, vlak bij een grote brug over een rivier, de Mae Klong. We noemden de spoorlijn al snel de "Dodenspoorweg". Als je niet doodging, wenste je na een tijdje dat je dood was. Alleen de gedachte aan mijn vrouw en kinderen hield me op de been.
Elke dag begon voordat het licht werd. Het geluid van pikhouwelen en mokers was het enige ritme dat de dag kende. Ik was sergeant-majoor, en ik voelde het als mijn verantwoordelijkheid te proberen om wat er nog over was van het moreel hoog te houden, maar hoe geef je hoop aan mannen als er geen hoop meer is? We werkten in de verzengende hitte en de striemende moessonregen. Onze voeten, ooit gewend aan de zachte aarde van Indië, werden kapotgesneden door de scherpe rotsen van Hellfire Pass. Ik dacht vaak aan mijn dochters. Zouden hun voeten ooit nog passen in de wereld die we hier aan het bouwen waren?
De Japanse bewakers kenden geen genade. "Speedo, speedo!" schreeuwden ze, terwijl de zweep neerkwam op onze ruggen. Ruggen die al lang gebroken waren door dysenterie en uitputting. Ik zag mijn mannen bezwijken aan cholera, hun namen met hun lijken wegzinken in de modder. Ik vocht voor elke korrel rijst voor de zieken, confronteerde de commandanten over de onmenselijke rantsoenen, wetende dat elke weerstand een doodvonnis kon zijn.
Mijn eigen einde kwam niet door uitputting of dysenterie, al was elke dag weer een marteling. Mijn einde kwam onverwacht, maar de manier waarop was op dat moment niet meer dan één van de dagelijkse wreedheden waaraan we overgeleverd waren. Het klinkt vreemd, maar mijn laatste dag was eigenlijk een dag als alle andere dagen. De zon brandde onbarmhartig boven de jungle. In de verzengende hitte werkten we zo goed en kwaad als we konden. Plotseling was er herrie bij de spoorbedding. Onze bewakers renden er naartoe, en wij volgden. Ik weet niet meer wat het was: iemand maakte een klein gebaar van verzet, iemand had er genoeg van om behandeld te worden als afval, iemand deed een poging om de waardigheid te bewaren, zoiets. Ik weet niet eens of het een van mijn mannen of een Brit was, maar als officier moest ik iets doen. Ik protesteerde toen hij geslagen werd met een zweep, en stapte naar voren. Ik herinner me de koude blik van de bewaker, de klap van de zweep in mijn gezicht, mijn val op de grond, en het aanhoudende geluid van de zweep op mijn lichaam. Voelen deed ik allang niets meer.
Terwijl ik daar lag in de roodbruine aarde van Birma, ver weg van de bergen van mijn Indië, werd het stil. De jungle, de spoorweg, mijn schreeuwen - alles vervaagde. In gedachten was ik weer in onze tuin in Bandoeng. In gedachten was ik bij mijn vrouw en onze kinderen. Ik zag een van mijn dochters rennen. Ik wilde haar zeggen dat ze niet bang hoefde te zijn, dat ze ons verhaal moest blijven vertellen, ook al zou ze later in een koud land wonen, ook al zouden haar schoenen altijd knellen. Zelf bleef ik voor altijd achter in Tamarkan, voor altijd in die ene dag, 4 november 1943.

Ik stierf daar, een sergeant-majoor met een graf dat je kunt bezoeken als je wilt, maar dat hoeft niet. Wat wel moet, is dat jullie niet in stilte afwachten tot andere mensen hetzelfde bij jullie doen, dat jullie niet vergeten wat ons overkomen is, en dat jullie leren van de fouten die mensen gemaakt hebben en nog steeds maken. Als het je niet lukt om dat besef je hele leven lang in je achterhoofd te houden, doe het dan in ieder geval op 4 mei. Denk aan ons, de mensen die stierven.
Vergeet mijn verhaal niet, ook al is het niet "echt". Maar echt is of niet echt is niet zo belangrijk. in grote lijnen is dit de mensen die naar Birma gingen om te werken aan de spoorlijn overkomen, en dat maakt mijn verhaal echt genoeg. ik stierf door geweld, en of dat met een zweep, bajonet, door een kogel of ondervoeding was, is niet belangrijk. Het verhaal is belangrijk! Verhalen moeten verteld worden om iets van te leren, om niet te vergeten, om ons in leven te houden. Vergeet dus onze verhalen niet, en zorg dat het niet voor niets is geweest!
Iedereen staat even stil
en houdt zijn adem in
voor een allerlaatste groet
aan een Indisch kind.
Selamat jalan, selamat jalan
selamat jalan Indisch kind!
(uit Ïndisch Kind - Wouter Muller)