Make that the Cat Wise!
Ik heb in mijn leven al heel veel katten gehad. Nou ja, heel veel katten hebben mij een tijd lang getolereerd. Mensen die net zoals Manon en ik katten als huisdier hebben, begrijpen waarschijnlijk wel wat ik bedoel, en als dat niet zo is kan de volgende vergelijking misschien duidelijk maken wat het grote verschil tussen het hebben van een hond of een kat als huisdier nou precies is: Als je een hond eten geeft denkt de hond: “Het geeft mij eten, dat moet wel God zijn.” Als je een kat eten geeft denkt de kat: “Het geeft mij eten. Ik moet wel God zijn!”

Helemaal historisch correct is dat natuurlijk niet, maar het is een feit dat katten wat meer hun eigen baas zijn dan honden. Niet dat ik iets tegen honden heb trouwens! Ik denk met veel liefde terug aan onze eerste en enige hond Vivid, genoemd naar het hondje uit een sketch van Wim de Bie in de Sketch “Daar liggen er twee” met de Vieze Man. Een schat van een hond, maar honden zijn en blijven handenbindertjes, en anders dan met kinderen zijn er redelijke alternatieven. Voor ons zijn dat katten!
Onze eerste kat was Klaasje. Gekocht voor 10 gulden van de dochter van mijn voormalig gymdocent Pijpers, opgehaald in hun opvallend gekleurde jaren 70 huis aan de Kloosterweg, Dat huis is trouwens platgegooid en vervangen door een huis dat geen flauw idee heeft in welke stijl het gebouwd is, maar dat terzijde. Klaasje was een schattig zwartwit bolletje wol dat een beetje schichtig was, maar wel heel boos kon kijken als hij zich miskend voelde. Daar kwam zijn naam ook vandaan! Raymond Beckeringh, de toenmalige vriend van mijn zus Mirjam keek hem eens diep in de ogen en zei: Jezus, hij kijkt net zo boos als je vader Klaas! En dus hoefden we niet verder na te denken over een naam. Klaasje groeide op tot een flinke Klaas, en de ruime omtrek van Grotestraat 308, “het Kraakpand”, was zijn jachtterrein. Klaas had een prachtleven, maar de ellende begon toen ik verhuisde naar een “van Dam Eenheid” iets verderop. Een éénkamer appartementje waar Klaas niks mee kon, en waar hij alleen met gevaar voor eigen leven naar buiten door een voordeur die uitkwam op de Grotestraat. De dierenarts raadde me aan hem binnen te houden, maar dat werkte voor geen meter. Uiteindelijk hebben we hem weggegeven aan een vriendin waarvan de ouders een boerderij in Hulten hadden. Met pijn in ons hart ging Klaas naar Hulten, waar hij een maandje of zo de boel aankeek voordat hij wegliep. Exit Klaasje dachten we.
Maar net zoals zijn naamgenoot was hij niet voor één gat te vangen, en de dag voor ik met Manon ging samenwonen in de Noordstraat stond hij onder mijn raam te miauwen. In een half jaar van Hulten teruggelopen naar huis. Klaas ging dus mee naar de Noorstraat! We woonden daar 4 hoog, en dus kon hij niet naar buiten. Hij vond dat niets, en dus zetten we hem op het balkon als we wat langer weg moesten. Dan was hij toch buiten en kon hij de boel niet mollen. Tot onze verbazing vonden we hem op een dag niet thuis, en vonden we hem iets later onder de flat wat wazig ronddwalen. Hij verwachtte een open bovenraampje op de slaapkamer, maar dat hadden we dichtgedaan omdat hij wel vaker op onverklaarbare wijze in onze slaapkamer op bed uitkwam. Zijn sprong was geëindigd tegen een stuk glas, en hij was 4 verdiepingen omlaag gevallen. Weg bovengebit, en Klaasje werd eigenlijk nooit meer de oude. We hebben hem nog een jaar of 6 gehad, mar hem op zijn 15e levensjaar moeten laten inslapen omdat hij helemaal op was. Klaasje was een heerlijke kat!!
En dus kochten we een paar jaar later weer een zwartwit bolleke bij het asiel. Lotje, ook wat schichtig, en zoals ze in het Engels zeggen: “The runt of the litter”. Klein, ongrijpbaar, maar met een stem die je straten verderop nog kon horen. Lotje was een schatje, maar we dachten dat ze wat eenzaam was, en dus redden we een jonge kater van een vrouw die van hem af wilde omdat ze bang van hem was. Aangeboden op Marktplaats, gratis op te halen, hij was een week of 15. Ik haalde hem met Anne op in Drunen, en we hebben een gezellige contact-high gehad van de enorme blowlucht die er hing in het huis waar zijn eigenaar woonde. De kat vond dat veel minder gezellig. Hij rende letterlijk over de muren en we moesten hem echt vangen. Hij is ook nooit echt tam geworden, wij zeiden altijd dat dat kwam omdat hij op jonge leeftijd te veel geblowd had. .
Quincy heette hij, Wimpie dus in fatsoenlijk Borks, maar de naamsverandering maakte hem niet rustiger, en Lotje vond het maar niets. Ondertussen was er ook een kat komen aanlopen, Fritz, en plotseling hadden we er drie. Lotje vond het nog steeds niets, en Elke, de vriendin van onze Gijs, vond Wimpie doodseng. Een interessante mix dus, waarbij we altijd een beetje moesten manoeuvreren in ons kattenmanagement om zowel mensen als katten tevreden te houden. Fritz had een hartruis, en we waren altijd een beetje bezorgd om hem, tot hij verdween zoals hij gekomen was. Op een dag realiseerden we ons dat we nog maar twee katten hadden, en dat was oké. Schattig bij elkaar liggen deden die twee eigenlijk nooit, en kwam meer door Lotje’s eigengereidheid dan door Wimpie’s agressie. Lotje wilde niet, en als een vrouw nee zegt..
Een paar jaar later ging Wimpie dood, en dat was mijn fout. Hij ging zich vreemd gedragen. Hij kroop in donkere hoekjes, en ging in plasjes water liggen als hij de kans kreeg, De dierenarts constateerde suikerziekte, en als we hem een aantal injecties per dag en aangepast voer gaven, en hem altijd binnen opsloten kon hij daar oud mee worden. Wimpie was een buitenkat, en ik wilde hem dat niet aandoen. Manon was het niet met me eens, maar net als Wimpie was ik eigenwijs, en dus liet ik hem rustig doormodderen tot ik het kon opbrengen om te besluiten dat het zo niet verder kon. Maar toen het zover was besloot Wimpie niet op mij te wachten maar zelf ergens zijn einde af te gaan wachten. Ergens waar wij niet waren. Hij is na een paar dagen nog ergens op de dijk gezien, en daarna nooit meer.
Lotje ging door, en was ondertussen zielsgelukkig als enig kattenkind, Ze kwam als je haar riep, mauwde heel de familie bij elkaar als ze aandacht wilde. Ik kon echt hele gesprekken met haar voeren, met vraag en antwoord, tot dat niet meer kon. Lotje werd stil en dun, en er waren drie dierenartsen voor nodig om nierkanker te constateren, en omdat we niet dezelfde fout wilden maken als ik bij Wimpie gemaakt had, was dat in de wachtkamer van de dierenarts en in mijn armen het einde van Lotje..

Het heeft even geduurd voor we weer durfden, en toen namen we er meteen twee. We namen bewust een heel ander soort katten dan Klaasje en Lotje. Bij het asiel zochten we met ons kleinkind Owen twee "gewone" vrouwtjes uit, en Owen mocht ze een naam geven. Het kleintje werd Pip, en de iets grotere werd Beau, en zo namen we ze mee naar huis. Daar bleek al snel dat ook een dierasiel fouten kan maken, want of Beau was niet de kat die we origineel uitzochten, of katten kunnen van geslacht veranderen. Beau bleek een mannetje te zijn! Dat maakte de noodzaak tot sterilisatie wat groter, maar was voor ons geen reden terug te gaan. Je hecht je zo snel aan zo’n beestje!
En nu zijn we drie jaar verder. Pip is een echt vrouwtje: bazig, lief, snel, en heel doortastend. Schrikachtig ook, maar dat zal komen omdat ze zulke goed oren heeft denken we.. Beau is een echt mannetje: niet al te snugger, niet opgewassen tegen Pip als ze het echt genoeg vindt, een beetje lomp, en voor de duvel niet bang. Al drie jaar een fantastisch kattenkoppel, en omdat niet iedereen in onze directe leefomgeving daar hetzelfde over denkt, hebben we ze al drie jaar in huis en tuin gehouden, en dat ging prima!
Maar nu is Beau weg. Hoe wat waar, geen idee, maar hij is er niet meer. Niet in huis, niet in de tuin, en niet in de omgeving. Pip is alleen, en staat te miauwen onder aan de trap. We hebben weer maar één kat, en dat voelt niet goed, dus als je onze Beau tegenkomt.. Hij lijkt op het plaatje!
"What greater gift than the love of a cat?" Charles Dickens